📖 You are reading the free text version. Get our mobile app for 🎧 audio narration, 💬 speaking practice, 🔄 instant translations, and 💾 vocabulary saving to enhance your learning experience.
Door het raam keek Thomas naar buiten terwijl de regen zachtjes op de straat tikte. Het was een gewone dinsdagochtend, maar iets voelde anders.
Hij had haast om op tijd op zijn werk te komen, want die dag had hij een belangrijke presentatie. Terwijl hij zijn jas aantrok, merkte hij dat zijn autosleutels nergens te vinden waren. Paniek begon langzaam op te komen.
Hij zocht in elke zak van zijn jas en in de woonkamer, maar de sleutels leken verdwenen. Hij belde zijn collega om te zeggen dat hij misschien later zou zijn, maar het internet viel plotseling uit, waardoor bellen niet lukte.
Toen herinnerde Thomas zich dat hij gisteren zijn sleutels op het aanrecht had gelegd nadat hij terugkwam van de supermarkt. Hij rende naar de keuken, maar ook daar waren ze niet te zien. Zijn hoofd raasde, de tijd liep door.
Uiteindelijk besloot hij de reservesleutel op te halen bij de buren. Gelukkig was mevrouw De Wit thuis en hielp hem snel. Thomas voelde zich opgelucht maar ook gefrustreerd dat zoiets kleins zoveel stress kon veroorzaken.
Terug in zijn auto zette hij de verwarming aan en nam een diepe ademhaling. De dag was nog niet verloren. Hoewel hij later op werk kwam, besefte hij dat kleine problemen soms niet te vermijden zijn en dat het puur aan hem lag hoe hij erop reageerde.
Hij besloot vaker een rustige start te nemen, ondanks de drukte van alledag. Kleine ongelukjes zoals vandaag herinnerden hem eraan dat het leven niet altijd volgens plan verloopt, en dat accepteren soms de beste oplossing is.
Vocabulary in context
on time
Hij wilde op tijd op zijn werk komen.
He wanted to get to work on time.
nowhere to be found
Mijn sleutels zijn nergens te vinden.
My keys are nowhere to be found.
to arise; to come up
Er begon paniek op te komen.
Panic began to arise.
to go down; to fail
Het internet viel plotseling uit.
The internet suddenly went down.
kitchen counter
Ik legde de sleutels op het aanrecht.
I put the keys on the kitchen counter.
spare key
We hebben een reservesleutel bij de buren.
We have a spare key with the neighbors.
to pick up
Ik moet de reservesleutel ophalen.
I need to pick up the spare key.
relieved
Ze was opgelucht toen alles weer werkte.
She was relieved when everything worked again.
frustrated
Hij was gefrustreerd door de vertraging.
He was frustrated by the delay.
unavoidable
Sommige kleine problemen zijn niet te vermijden.
Some small problems are unavoidable.
the daily rush
In de drukte van alledag vergeet ik soms even stil te staan.
In the daily rush, I sometimes forget to pause for a moment.
Check your understanding
Choose an answer, check it, then move to the next question.
Question 1 of 3
Keep reading