Back to Beginner (A1) stories

Unlock the Complete Learning Experience

You're reading free stories on our website. Get the mobile app for audio narration, speaking practice, vocabulary saving, personalised stories, instant translations, and progress tracking.

Download on the App StoreGet it on Google Play
Audio
Translations
Progress

De Verloren Winkelwagentjes

Beginner (A1)
5 min read

📖 You are reading the free text version. Get our mobile app for 🎧 audio narration, 💬 speaking practice, 🔄 instant translations, and 💾 vocabulary saving to enhance your learning experience.

Vandaag ga ik naar de markt met mijn vader. Het is druk en vol mensen. We nemen een winkelwagentje om onze spullen te doen.

Na een tijdje merk ik dat mijn vader niet bij me is. Ik kijk om me heen, maar ik kan hem niet zien. Ook de winkelwagentjes zijn weg!

Ik voel me een beetje bang. Wat moet ik nu doen zonder vader en zonder winkelwagentje?

Ik blijf rustig en loop naar het kleine restaurantje op de hoek. Daar staat mijn vader te praten met een man die ook een winkelwagentje heeft.

Mijn vader lacht en zegt: "Ik vond een verloren winkelwagentje en bracht het hier terug."

Ik begrijp dat mijn vader hielp iemand. Het was niet erg dat we even apart waren.

We drinken samen limonade en praten over de markt. Mijn bang hartje is nu rustig.

Hoewel de dag druk was, vond ik het fijn om even te wachten en te zien dat alles goed komt.

Soms zijn kleine momenten zonder eten ook waardevol, vooral als je samen bent.

Practise this Dutch story

Vocabulary in context

Important words and phrases

  • vandaag

    adverb

    today

    Vandaag ga ik naar de markt.

    Today I am going to the market.

  • markt

    noun

    market

    Ik ga naar de markt.

    I am going to the market.

  • vader

    noun

    father; dad

    Ik ga met mijn vader.

    I am going with my dad.

  • winkelwagentje

    noun

    shopping cart

    We nemen een winkelwagentje.

    We take a shopping cart.

  • druk

    adjective

    busy; crowded

    De markt is druk.

    The market is busy.

  • mensen

    noun

    people

    Er zijn veel mensen.

    There are many people.

  • rustig

    adjective

    calm

    Ik blijf rustig.

    I stay calm.

  • restaurantje

    noun

    small restaurant

    We lopen naar het kleine restaurantje.

    We walk to the small restaurant.

  • limonade

    noun

    lemonade

    We drinken samen limonade.

    We drink lemonade together.

  • wachten

    verb

    to wait

    Ik moet even wachten.

    I have to wait a moment.

  • bang

    adjective

    afraid

    Ik voel me een beetje bang.

    I feel a little afraid.

Check your understanding

Comprehension questions

Choose an answer, check it, then move to the next question.

Question 1 of 3

  1. Question 1: current not answered
  2. Question 2: not answered
  3. Question 3: not answered
Waar ga ik heen?Where am I going?

Notice the language

Language notes

grammar

Ik kan hem niet zien

Use can + not + infinitive to say that you cannot do something. In Dutch, the modal verb comes before the main verb, and niet goes before the infinitive: "Ik kan hem niet zien." You can reuse this pattern in many sentences, for example: "Ik kan vandaag niet komen." "I cannot come today.".

  • Ik kan hem niet zien.

    I cannot see him.

Keep reading

More Beginner (A1) Stories
DutchBeginner (A1)